De treinreis

Het getoeter in de straat maakt me voor de zoveelste keer wakker. Dit is niet zomaar een claxon. Dit is de claxon van een zeer geïrriteerd persoon. Van een persoon wiens auto geblokkeerd wordt door een wagen die hem klem geparkeerd heeft. Tooooooeeeeeeeet. Mijn hemel, wat is het toch weer een akelig geluid. De bestuurder houdt zich met één hand vast aan het geopende portier, terwijl hij met de andere de toeter van binnenuit de auto laat spreken. Ondertussen kijkt hij omhoog. Met zijn ogen scant hij de verdiepingen van de flatgebouwen die hem omringen. Hij zoekt naar iemand die zich verontschuldigend over het balkon leunt om te zeggen ‘Neemt u mij niet kwalijk, ik kom onmiddellijk naar beneden om mijn auto te verplaatsen’. In plaats daarvan krijgt hij van verschillende onzichtbare mensen ‘Vaffanculo!’ te horen, van wakker geworden buren die schreeuwen dat hij – netjes gezegd – naar de maan moet lopen.

Dit is het ochtendritueel waarmee ik doorgaans mijn dag begin. In de nauwe straat waarin ik woon, die aan beide zijden omsloten wordt door twee hoge appartementencomplexen, wordt continu dubbel geparkeerd. Gewoonlijk gaat deze eentonige ergernisbron, gevolgd door scheldkannonade, gepaard met het geblaf van de hond van de etage onder mij. Ook het arme beest krijgt dagelijks menige verwensing naar de oren gesmeten. En ik zou liegen als ik zei dat ik niet dikwijls ook heb gewenst dat hij zweeg…

Dit soort irritaties hoort bij het leven in de stad. Net als de verkeersdrukte. Inmiddels staan er steeds meer mensen op het balkon naar de nog altijd toeterende, rood aangelopen bestuurder te kijken. Zo ook mijn overbuurvrouw. In haar nachtjapon is ze naar buiten komen waggelen. Ik hoor het geslof van haar slippers over de stenen vloer. Dan buigt ze over de balustrade naar beneden. Een tepel piept nieuwsgierig uit haar japon. ‘Hé, jij daar!’ schreeuwt ze naar boze man. ‘Die auto is van ome Gigi. Hij is doof, wist je dat niet?’ Op dat moment schuifelt er een oude man uit het biowinkeltje naast de geparkeerde auto’s naar buiten. Zich van geen kwaad bewust haalt hij met trillende vingers de autosleutels uit zijn jasje. Hij stapt in en rijdt weg. Meneer heethoofd vloekt nog wat binnensmonds en slaat daarna hoofdschuddend de autodeur dicht.

Nu het schouwspel voorbij is, trekken de meeste bewoners hun huizen weer in. Behalve mevrouw Bemoeial. Zo noem ik de mevrouw van de vierde verdieping die iedereen ongevraagd aanspreekt. ‘Jongedame,’ roept ze opeens. Ik draai me om van het wasrek, dat ik even daarvoor als excuus was gaan gebruiken om het straattoneel van dichtbij te kunnen meemaken. ‘Jij komt vast niet uit Italië.’ Ik hoef hier niet eens mijn mond open te doen of ze zien dat ik buitenlandse ben. Ik doe alsof ik het niet hoor. ‘Als ik zo’n achterwerk had, zou ik ook zo schaars gekleed de was gaan ophangen.’ Een glimlach ontglipt me, terwijl ik toch enigszins gegeneerd mijn huis terug inloop. Nou, dat compliment steek ik mooi in mijn zak. Tijd om aan te kleden.

Even later trek ik het hek van de voortuin dicht. Aan een paal staat mijn spiksplinternieuwe fiets te stralen. Als bijdehante noordelijke had ik hem direct na aankoop in de binnenhof van mijn flat gezet. Vierkante meters onbenut gras, waarom maakt niemand daar gebruik van? Maar, ook al het staat nergens geschreven, het mag natuurlijk niet. Of ik hem buiten wilde zetten, werd mij na twee maanden vriendelijk verzocht. Eigenlijk niet natuurlijk. Maar er zat niets anders op, aangezien het ding te zwaar is om alle trappen op te sjouwen en niet niet in de lift past. Ik besluit hem voor vandaag op zijn nieuwe plekje te laten staan: ik moet namelijk naar het station en de kans dat hij daar gejat wordt is groter dan dat ik hem hier kwijt raak.

Iedere week reis ik door de ager romanus, het platteland dat al eeuwen het terrein waarop Rome haar macht uitoefent aanduidt. De trein brengt mij op zo’n twintig kilometer afstand van het stadshart, op de noordlocatie van de Nederlandse School. Ik stel me voor hoe in dit gebied ooit doodmoeie soldaten terug naar Rome zijn gesjokt, na misschien wel een jarenlange strijd voor een strenge generaal. Een harde man, die hen ook nog eens voor de stadspoorten liet wachten om met een indrukwekkende triomftocht de stad te kunnen betreden…

Als de controleur langskomt toont het meisje tegenover mij, naast haar reisabonnement, ook het aankoopbewijs ervan. Want op het gedigitaliseerde pasje staat foto noch vervaldatum. Italiaanse logica. Dat betekent dus dat je iedere maand na vernieuwen van je abonnement, het bonnetje moet laten zien. Maar dat is gemaakt van papier waarvan de letters na een tijdje vervagen, daar wordt zelfs voor gewaarschuwd bij aankoop. Dus moet je hem kopiëren. En daarna goed beschermen, anders riskeer je dat je hem weggooit tegelijk met de identieke bonnetjes van alle koppen koffie van afgelopen week. Waarom de regionale spoorwegen hun controleurs niet een apparaatje kunnen meegeven, waarmee ze je pasje kunnen scannen en de geldigheid ervan kunnen zien, is mij een raadsel. Twintig kilometer verderop, terug in de stad, kan dat namelijk wél gewoon, met hetzelfde vervoersbewijs.

Rome blijft een stad waar je je verwondert. Als ik na de les in de trein terug zit, ditmaal in gezelschap van mijn collega, worden we na een tijdje aangesproken door een mevrouw op leeftijd. ‘Nemen jullie me niet kwalijk’, zegt ze, terwijl ze zich van de andere kant van het gangpad tot ons wendt, ‘Mag ik jullie vragen waar jullie vandaan komen?’ ‘Ehm…uit Nederland,’ antwoorden we in koor. ‘Nou,’ gaat ze verder, ‘Wat zijn jullie een beeldschone dames, werkelijk. Ik móest het gewoon even kwijt.’ Dan staat ze op met al haar tassen en verdwijnt. Mijn vriendin en ik kijken elkaar aan en proesten het uit.

Als ik ‘s avonds thuiskom, vind ik mijn fiets terug. Hij staat nog gewoon aan de paal. Alleen mist het zadel. Verdorie nog aan toe. Wie heeft het lef gehad om het er met zijn tengels af te schroeven? En over een intern fietsenrek wordt tijdens de eerstvolgende bewonersbijeenkomst pas gestemd, in de lente…

Bedroefd loop ik de trappen op naar boven. Als ik thuiskom, plof ik neer in mijn luie stoel op het balkon. In de verte wappert de vlag van de Maltezer ridders op de Aventijn, terwijl de schemering haar licht werpt op de Tiber. Het was vanaf deze heuvel dat Remus ooit zes vogels voorbij zag trekken. Maar zijn tweelingbroer Romulus zag er twaalf vanaf de Palatijn en zo werd Rome naar hém vernoemd. Een stad boordevol geschiedenis en mythologie. Een stad vol auto’s. Een stad waar oude dames complimentjes geven. Een stad waarop je nooit uitgekeken raakt.

Advertisements

3 thoughts on “De treinreis

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s